Zet verschillende soorten klokken neer voor de klas, of laat platen zien van verschillende soorten klokken (bijvoorbeeld: koekoeksklok, wandklok, wekkerradio, horloge, zakhorloge, zandloper, enz) Welke klokken kennen de kinderen? Wat voor klok hebben ze thuis? Wat voor apparaten thuis hebben een klok? (magnetron, video, stereo, enz) Hang een klok op in de klas en zet de klok op 1 uur. Hoe laat is het nu? Leg de kinderen uit dat de korte wijzer aangeeft welk uur het is, en de lange wijzer of het precies dat uur is, of een beetje ervoor of erna. Oefen een aantal uren met de klas, totdat ze snappen hoe het werkt. Indien de kinderen dit al kunnen, kun je ook andere tijden oefenen, zoals half 3 en kwart voor en kwart over.
Kern:
Wat gebeurt er met de tijd als het lente wordt? (dan gaat de klok een uur voorruit) Waarom is dat? De mensen doen dan pas later de lampen aan, waardoor er minder energie verbruikt wordt. Er is dan minder brandstof nodig, bijvoorbeeld olie, waardoor we dit minder hoeven in te kopen in andere landen. En dus houdt Nederland meer geld over. Zet de klok eens op 2 uur. Als dit de wintertijd is en je moet de klok op de zomertijd zetten, hoe laat is het dan? (3 uur) Herhaal dit een aantal keer met verschillende kinderen uit de klas. Ook nu kun je variëren met de moeilijkheid, dus of alleen de hele uren, of ook andere tijden.
Afsluiting:
Deel het werkblad uit. (Afhankelijk van wat de kinderen kunnen, kies je voor werkblad 1, 2, 3 of 4. Deze werkbladen zijn oplopend in moeilijkheidsgraad. Bij werkblad 1 zijn er alleen hele uren, werkblad 2 alleen halve uren, werkblad 3 kwart voor en kwart over en bij werkblad 4 staat alles door elkaar.) Hierop zien de kinderen klokken die nog op de wintertijd staan. In het lege klokje vullen ze in hoe de tijd is als ze er zomertijd van maken. Ze schrijven onder de klokken hoe laat het is. Bespreek het werkblad na afloop, zodat ze zelf kunnen ontdekken of ze het goed hebben gedaan.