Inleiding: 
Inventariseer met de kinderen aan welke kenmerken een gedicht moet voldoen. Een sluitende definitie hebben de geleerden nog niet gevonden. Dat is het bijzondere van poëzie. Je kunt een gedicht herkennen aan de vorm, het rijm, het ritme. Maar de kinderen kunnen ook dingen noemen als sfeer, gevoel, enz.
Lees de kinderen het volgende gedicht voor:
Poëzie is.... "niet een roos, maar de geur van een roos; niet de lucht, maar het licht in de lucht niet een vliegje, maar de zucht van een vliegje, niet de zee, maar het geluid van de zee...."
Kern:
Schrijf vervolgens de onderstaande zinnen op het bord.
Op de blauwe zee zeilen de bootjes met witte zeilen
Wat vinden de kinderen hiervan, is dit een gedicht? Of is het een bericht? Waarom vinden ze dat? De kinderen krijgen nu de opdracht om van deze zinnen een schilderij van woorden te maken. Dit betekent dat ze de zinnen gaan gebruiken om een nieuw gedicht te maken. Ze hoeven niet alle woorden te gebruiken. Help de kinderen door middel van sleutelvragen op weg: Misschien ben je zelf op de zeilboot en zie je iets heel bijzonders. Hoe voel je je op de zee? Uiteindelijk schrijven ze hun gedicht op een vel wit papier en plakken ze het op een groot blauw kartonnen papier. Ze versieren het schilderij met mooie tekeningen of sfeerbeelden.
Afsluiting:
De kinderen mogen hun eigen woordenschilderij presenteren voor de klas. Ze lezen hun gedicht voor en laten zien hoe ze hun eigen schilderij hebben vormgegeven. Lees na afloop het woordenschilderij voor dat Willem Hussem maakte over de zee:
Zet het blauw van de zee tegen het blauw van de hemel Veeg er het wit van een zeil in en de wind steekt op
|