|
|
|
Circus: Circusolifant |
|
|
Inleiding:
Praat met de kinderen over het circus. Waar denken ze aan? Maak een woordspin op het bord. Vraag daarna welke dieren je in het circus allemaal kunt tegenkomen. Zet deze ook bij de woordspin. Wat vinden de kinderen het leukste in het circus? Zijn ze wel eens in het circus geweest? Hoe was dat? Wat zagen ze daar?
Kern:
Vertel de kinderen dat ze een circusolifant gaan maken. Hiervoor krijgen ze een grijs vouwblaadje. Dit vouwen ze in 16 gelijke vierkantjes. Als ze dit gedaan hebben, leggen ze het papier voor hun neus en vouwen van het vierkantje rechts en links boven een driehoekje naar achteren. Van de onderste rij hokjes knippen ze het derde hokje van links geteld eruit en knippen ze bij de eerste vouwlijn vanaf links 2 hokjes verticaal in. De losse hokjes kunnen nu naar links gevouwen worden (zie plaatje), zo wordt het een slurf. De basis van de olifant is nu klaar. De kinderen kunnen hem nu zelf verder afmaken met een slagtand, een staart, een zadel, ogen enz. Laat eventueel een foto van een echte olifant zien om de kinderen op ideeën te brengen.
Afsluiting:
Hang alle olifanten op in de klas. Laat de kinderen ze goed bekijken en eventueel vertellen over hun eigen werkstuk. Wat heb je allemaal aan de olifant gemaakt? Hoe heb je dat gedaan? Wat vond je lastig? En wat juist heel gemakkelijk? Sluit de les eventueel af met een kleurplaat over een circusolifant.
|
|