Home Onderbouw Rekenen Herfst: Rekenbegrippen
|
|
Herfst: Rekenbegrippen |
|
|
Inleiding: 
De kinderen zitten in een kring. Leg op tafel allerlei herfstspullen, zoals kastanjes, eikeltjes, dennenappels, bladeren in alle soorten en maten, champignons, enz. Vraag de kinderen wat ze allemaal zien. Weten ze hoe alles heet? Wanneer zie je al deze spullen? (herfst) Wat hoort er nog meer bij de herfst? (regen, wind, spinnen, slakken, egeltjes, enz) Welk blad is heel groot? En welk blad is klein? Kunnen ze de eikeltjes van groot naar klein leggen? Kunnen ze de dennenappels van dik naar dun leggen? En de paddestoelen? Welke zijn er groot en welke klein? Geef nog meer van dit soort opdrachten.
Kern:
Ruim de herfstspullen en leg vervolgens de verschillende plaatjes neer. Pak eerst de plaatjes van de egel met de paddestoel. Zien de kinderen het verschil? (de ene paddestoel is langer dan de andere) Pak dan de plaatjes van de paraplu. Wat is hier het verschil? Als de kinderen door hebben waar ze op moeten letten leg je meerdere plaatjes op tafel en laat je ze door een kind sorteren. Doe dit ook met de plaatjes die dik en dun zijn en klein en groot. Afsluiting:Als verwerking gaan de kinderen in groepjes een werkblad maken. Deze groepjes kun je laten rouleren. Kies uit de volgende werkbladen: werkblad lang-kort, groot-klein. 
|
|