Inleiding: 
Lees een paasgedichtje voor. Vraag de kinderen waar het over gaat. Wat valt ze op? (de woorden rijmen) Als de kinderen hier niet zelf op komen, kun je de woorden die rijmen nog eens achter elkaar zeggen. Lees het gedichtje nogmaals voor en vraag de kinderen na afloop de woorden op te noemen die op elkaar rijmen.
Kern:
Laat een aantal plaatjes zien van dingen die te maken hebben met pasen. Bijvoorbeeld een ei, een kip, chocola, kuiken, haas, geel, enz. Vraag de kinderen zoveel mogelijk rijmwoorden te verzinnen. Leer de kinderen het volgende gedichtje:
Ik zie een ei, dat is van mij, hoor jij daar bij....dat rijmt... Ik zie een haas, daar staat een vaas, kijk door dat gaas....dat rijmt.... Op alles kun je rijmen, een woord en nog een woord. Op alles kun je rijmen, heb jij dat al gehoord?
Zo kun je het gedichtje met alle woorden die de kinderen eerder verzonnen hebben aanvullen.
Afsluiting:
Geef elk kind 2 kartonnen kaartjes en kleurpotloden. Ieder kind krijgt een plaatje mee van iets dat met pasen te maken heeft. Dit plaatje tekenen ze na op één van de kartonnen kaartjes. Op het andere kaartje tekenen ze een woord wat er op rijmt. Als alle kaartjes af zijn kunnen ze geschud worden en in de kring of in een klein groepje weer bij elkaar gezocht worden. Het spel kan gedurende de paasweken op de paastafel gelegd worden. 
|