Home Onderbouw Taal Pasen: Gedichtje "Gekleurde eitjes en een haas"
|
|
Pasen: Gedichtje "Gekleurde eitjes en een haas" |
|
|
Inleiding: 
De kinderen zitten in een kring. In het midden staat een tafel.
Maak van te voren kaartjes met daarop de plaatjes uit het gedichtje. Leg deze kaartjes door elkaar op de tafel in het midden van de kring. Wie ziet er 2 plaatjes die bij elkaar horen? Leg ze maar bij elkaar. Geef een aantal kinderen een beurt om steeds 2 plaatjes die bij elkaar horen apart te leggen. Bespreek waarom ze bij elkaar horen.
Kern:
Vertel de kinderen dat je een gedichtje (uit "Het grote liedjesboek" van Marianne Busser, bladzijde 92) gaat voorlezen dat over al deze dingen die bij elkaar horen gaat. Lees het gedichtje helemaal voor. Daarna lees je alleen de eerste vier regels voor. Laat de kinderen het een paar keer herhalen. Eerst met de hulp van de leerkracht, daarna alleen. Wie kan het eerste stukje alleen opzeggen? Vervolgens leer je op dezelfde manier de 2e vier regels en de 3e vier regels aan. Vraag welke 2 kinderen het samen helemaal alleen op kunnen zeggen.
Afsluiting:
Kunnen de kinderen nog meer dingen verzinnen die bij elkaar horen, maar niet in het gedichtje staan? Welke dingen zijn dat? Deel daarna aan alle kinderen 2 kaartjes uit, waarop ze 2 dingen tekenen die bij elkaar horen. Zo kunnen ze het memoryspel aanvullen en kan het in een doosje bewaard worden op de paastafel.
|
|