Inleiding: 
Als de kinderen de zaal binnenkomen, ligt er voor iedereen een bal klaar. De kinderen mogen eerst 5 minuten vrij spelen met de bal. Daarna worden ze verdeeld in tweetallen. Ze gaan op 2 lijnen in de zaal tegenover elkaar staan en proberen de bal over te gooien. Als het goed gaat, en het lukt om de bal regelmatig te vangen, kunnen ze een stap naar achteren doen. Loop ondertussen rond om de kinderen tips te geven over hun manier van gooien en vangen. Vervolgens kan er gevarieerd worden in de opdrachten. Er kan met een stuit in het midden gegooid worden, of er mag alleen bovenhands of alleen onderhands gegooid worden. Na ongeveer een kwartier worden de ballen ingeleverd.
Kern:
De klas wordt in 2 teams verdeeld. Er is een veldteam, deze kinderen staan verspreid door de zaal. De wanden van de zaal zijn het einde van het veld. Voorin de zaal zit binnen een lijnenvak het gooiteam. Dit vak bestaat uit 2 delen, het deel waar de kinderen zitten en het deel vanwaar de speler die aan de beurt is de bal zal gooien. In dat vak ligt ook een hoepel, in de hoepel moet gebrand worden. Vlak voor het lijnenvak waar de kinderen zitten, staan 2 pionnen, ongeveer 8 meter uit elkaar vandaan. Het spelverloop gaat alsvolgt: Het kind dat aan de beurt is loopt naar het gooivak. Van daaruit gooit het de bal de zaal in, het maakt niet uit of dit juist hard of heel zacht is, want het is de bedoeling dat de kinderen de bal niet snel te pakken krijgen. Dus als alle kinderen ver naar achteren staan omdat ze verwachten dat de bal ver gegooid zal worden, is net over de lijn gooien juist heel slim. Zodra de bal gegooid is, begint het kind dat aan de beurt is rondjes om de pionnen te rennen. Elk heel rondje is een punt. Het doel is om zoveel mogelijk punten te halen. Het veldteam probeert zo vlot mogelijk de bal te pakken. Zodra iemand de bal heeft, moeten alle kinderen uit het veldteam achter die persoon komen te staan. Als de rij gevormd is, mag het voorste kind de bal over de hoofden naar achteren doorgeven. Iedereen moet de bal door zijn handen hebben gehad, anders moeten ze opnieuw beginnen. Er kan ook worden afgesproken om de bal onder de benen door te geven, maar dan mag de bal niet gerold worden. Zodra de bal wordt aangepakt door het achterste kind, mag dat kind de bal zo snel mogelijk in de hoepel terugleggen. Zodra de bal daar ligt, moet het andere kind stoppen met rondjes rennen. Een half rondje telt niet meer mee. Als alle kinderen van het gooiteam geweest zijn, wordt er gewisseld. Er kunnen eventueel 2 ronden gespeeld worden. Na afloop worden de punten geteld.
Afsluiting:
Tot slot kan er nog een tikspel worden gedaan. Bijvoorbeeld tikkertje met de bal. Je mag dan niet lopen met de bal en het hoofd en de handen tellen niet (afweren mag dus) Na het tikspel is het goed om het Schotsbalspel te evalueren. Wat ging er goed, wat ging er minder goed? Geef tips als dat het soms slim kan zijn 1 persoon aan te wijzen die altijd achterin de rij aansluit, omdat die hard kan rennen, zodat de bal vlug in de hoepel teruglegt. Gingen de kinderen sociaal met elkaar om, of waren het steeds dezelfde kinderen die de bal pakten?
|