Inleiding: 
Zorg voor verschillende kleuren narcissen (geel en wit). Zet deze in potjes of vaasjes voor de klas. Bekijk samen met de kinderen de bloemen. Wie weet hoe deze bloemen heten? Groeien ze uit een zaadje of een bolletje? Hoe weten ze dat? Wat zit er allemaal aan een narcis? (steel, bladeren, stampers, bloemblaadjes, trompet of kroon)
Kern:
De kinderen mogen zelf een narcis maken. Ze moeten ervoor zorgen dat de bloem ruimtelijk wordt. Ook moeten alle onderdelen van de narcis herkenbaar zijn, te weten: een steel, 2 bladeren, een trompet, een stamper en bloemblaadjes. Zorg dat er verschillende materialen klaarliggen, zoals allerlei soorten papier in geel, oranje en wit, rietjes, stokjes, verf, scharen, lijm, doosjes en plastic bakjes. Laat de kinderen zelf verzinnen hoe ze de narcis gaan maken.
Afsluiting:
Zet alle narcissen in een vaas of een aantal vazen. Bespreek of de bloemen aan alle voorwaarden voldoen: zijn ze ruimtelijk of plat geworden? Zitten overal bladeren aan, bloemblaadjes en het kroontje? Is niemand de stampers vergeten? Zet de vaas met bloemen op de lentetafel.
|