|
|
|
Lente: Jonge dieren |
|
|
Inleiding: 
Lees voor uit het prentenboek “Spring in ’t veld, van poezenkind tot vossenjong” van Luc Coats en Emily Bolam. De tekst is gedeeltelijk op rijm.
IJsbeerwelpen leven tussen sneeuw en ijs, moederschapen blaten naar hun lammetjes en kangoeroe-families leven in een droog klimaat.
Allerlei specifieke omstandigheden, waarin jonge dieren opgroeien, zijn in dit boek op een speelse manier verbeeldt. Kinderen kunnen er dan ook van alles in ontdekken, mee-miauwen en veel snuiten en snaveltjes tellen.
Praat na afloop met de kinderen na over het verhaal. Welke dieren hebben ze gezien? Weten ze nog waar deze dieren leven? Wanneer worden jonge dieren meestal geboren? (in de lente) Waar kun je die dieren zien? (op de kinderboerderij en de dierentuin)
Kern:
Wie is er wel eens bij de kinderboerderij geweest? Wat zag je daar voor dieren? Wie weet er hoe kindje van een koe heet? En van een kip? En van een poes, een geit, een paard, een mens, enz. Van welk dier is een big een babytje? En van welk dier een veulen? Herhaal zo nog meer dierennamen, zodat de kinderen goed weten welk jong dier bij welk volwassen dier hoort.
Hierna krijgen de kinderen het werkblad met het jonge dieren domino erop. Ze knippen de plaatjes uit en plakken ze in een vierkant op een groot vel papier. Zeg erbij dat het een vierkant moet worden, want anders komen ze er niet uit. In het midden van het vierkant tekenen ze het dier dat zij het liefste vinden.
Afsluiting:
De kinderen komen met hun werkbladen in de kring zitten. Bespreek met de kinderen welke jonge dieren bij welke volwassenen hoorden. Hebben ze het allemaal goed gedaan? Weten de kinderen nog hoe alle dieren heetten?
|
|