Inleiding:? 
Lees een fragment voor uit het boek “Lena Lijstje” van Francine Oomen.
Lena kan niet kiezen. Daarom maakt ze overal lijstjes voor. Dat helpt haar om de warboel in haar hoofd op te ruimen. En het is nodig ook, want er gebeurt heel veel in haar leven. Haar vader wordt verliefd op zijn kooklerares, Lena krijgt een uitlaathond, een Engels vriendje en ze heeft ook nog eens last van bijgeloof-dingen en E-mensen.
Praat kort met de kinderen na over het fragment. Wie komen er in het stukje voor? Waar speelt het verhaal zich af? Wat doen de personen in het verhaal? Wie vertelt het verhaal? (de hoofdpersoon, iemand anders of de schrijver?)
Kern:
De kinderen krijgen een kopie van het fragment met daaronder lijntjespapier. Hierop schrijven ze het hoofdstuk waaruit een fragment is voorgelezen af. Ze moeten daarbij rekening houden met de personen die in het verhaal voorkwamen, wie het verhaal vertelt en waar het zich afspeelt. Hierop moeten ze voortborduren. Als ze daarmee klaar zijn, plakken ze het papier op een gekleurd vel en maken ze een tekening bij het hoofdstuk.
Afsluiting:
Een paar kinderen lezen hun zelfgeschreven fragment voor. Praat kort met de kinderen na over hun gekozen verhaallijn. Op het laatst leest de leerkracht het hoofdstuk af uit het boek. Bespreek met de kinderen of het echte verhaal lijkt op hoe zij het voorspeld hadden. Welk verhaal vinden ze leuker? Maak van alle verhalen een boekje, zodat de kinderen van elkaar kunnen lezen hoe ze het hoofdstuk hebben afgemaakt.
|